Oel ‘n verhaal

Ik hou d’r zo van!

Oldenzaal, onze Boeskoolstad, Stedkte van plezeer. Het centrum van het Twentse carnaval.En zoals de Doarn Dölls t zo mooi verwoordden in hun carnavalsliedje: Carnaval vieren kun je in heel Twente, maar in Oldenzaal staat het hoofdkantoor! En nu ’t zo langzamerhand weer vroeger donker wordt, krijgt menig Oldenzaler de kriebels weer. ’t Gaat weer gebeuren! Want wie houdt er nu niet van? Als kind ging ik al met m’n ouders achter de muziek aan van ’t Semper in de kinderoptocht. Ja, als je het jong leert….’t Feest van mee doen. Ontzettend veel gekkigheid maken. Kapot gaan van ’t lachen. De zorgen aan de kant, even nergens meer aan denken. Voordat je ’t weer zit je weer met elkaar ’n liedje te blèren aan de bar! En daarbij ook nog de spanning van “wie zou ’t dan worden?” Want voordat het spektakel los kan gaan moet er toch eerst nog ’n Hertog van de Oelewappers uit de doos komen.

Ik was al vroeg op de zolder om mijn jeske van plezeer van boven te halen. Daar hing ze wel. Ze kon weer uit de kast.
Nu nog ’t trommeltje met mijn speldjes pakken om mijn jasje mooi mee te versieren. Toen ik de koffer open maakte kwam de oh zo bekende muffe lucht van carnavalskleren en de onmiskenbare geur van schmink me tegemoet.
Wat ’n heerlijk aroma! Ik kreeg ’t gevoel van thuiskomen, ’t gevoel van met elkaar. Want met carnaval vallen alle rangen en standen weg. Of je nu eigen baas of bazin bent, ’n vrouw die handig is met kam en schaar, ’n man die met de handen in de grond zit om de bloemetjes buiten te zetten, burgemeester bent, als stratenmaker de straatjes in Oldenzaal netjes maakt, getrouwd bent of nog vrijgezel, neutraal of genderneutraal, van ’n man houd of van ’n vrouw, ’t maakt niks uit, iedereen hoort er helemaal bij!
Maar goed (excuses, ik ben soms een beetje lang van stof), ik had mijn rommeltje bij elkaar geraapt en deed ’t licht uit. Alleen in ’t donker op zolder, de kriebels krijg ik er van, daar wen ik nooit aan. Toen ik naar beneden wilde lopen, hoorde ik achter mij ’n geritsel. Ik vloog, nee sprong bijna de trap af! Ik leek wel ’n op hol geslagen paard en had beide benen wel kunnen breken, zo snel stond ik onderaan de trap.
De adrenaline zat ondertussen in mijn haarpunten van schrik! WAT, IN GODSNAAM WAS DAT?!! Ratten, muizen, darren, wespen, er ging van alles door mijn hoofd. Maar ik ben wel een beetje nieuwsgierig en dus kroop ik langzaam, met een hartslag van 300, de trap weer op. Deed mijn lampje van mijn mobiel aan en gluurde over de bovenste tree van de trap en zag toen in ’t midden van de zolder ‘n steek liggen. Eerst maar eens het licht aan doen. Nu hebben wij een steek met 2002 en één met 2005 in de kast liggen, maar hier stond Hertog 2024 op? 2024? Dat is ’t nog helemaal niet. Met angstzweet op mijn voorhoofd keek ik rond. Bij ’t zolderraam dwarrelde zachtjes confettie naar beneden. ’t Moet toch niet gekker worden! Aan de muur hing ’n foto van ’n Hertog en zijn Sik, onherkenbaar, met daaronder weer 2024. Heel zachtjes hoorde ik in de verte muziek. Was ’t Strauss? Beethoven? Of Andre Rieu? ’n Wals, duidelijk ’n wals! Langzaam werd ’t geluid sterker en sterker. De driekwartsmaat op de trom en ’t getoeter van de trompetten klonk door de oude straatjes van Oldenzaal. Het was ’n blaaskapel! Toen zag ik licht onder de kastdeur vandaan komen . Rood, groen, blauw, alle kleuren van de regenboog. Bang was ik niet meer, alleen nóg nieuwsgieriger! Zo langzaam aan, werd ’t me duidelijker. Zou ’t dan toch…. En is ’t toch ’n inbreker, dan is hij betrapt!
Ik schuif de kastdeur heel rustig naar links en wat ik toen zag, was werkelijk oogverblindend! Daar stond in ’n pak met ’n kakelbont mengsel van kleuren, ’n gedaante. Er klonk tromgeroffel en trompetgeschal. Flitsende lampen.
De kapel speelde “De jeskes oet” en “Allemoal in polonaise”. ’t Was ’n enorm spektakel! Zelfs de zon scheen en weerkaatste ’t licht van honderden pailletten door de ruimte. Op de steek ’n grote witte veer en, ja hoor, daar was ie wel, trots voorop, ’n Uiltje! Ons Uiltje. Geweldig mooi, maar ik kon met geen mogelijkheid zien wie ’t was. Ik riep nog: “Mooi dat je geweest bent, en vergeet niet terug te komen.” Maar ’t had geen zin meer, hij was al weg! ’t Kon me ook niks schelen. ’t Kan allemaal doorgaan. Weer in polonaise, dansen, springen en inhaken. Je weer even kind voelen. Oude bekenden zien, je in ’t feestgedruis storten en compleet uit ’t dak gaan. Lachende leuke mensen, samen! Carnaval in ons Boeskoolstedtke, ik ben er trots op. Trots op dit prachtige feest.
Ik ben van ’t hele spektakel bij ons op de zolder nog niks wijzer geworden, maar ik knijp er even tussenuit, omdat de kroeg me roept. Niet voor ’n kop koffie of thee. Dan neem ik eerst ’n lekker koud biertje van de tap en daarna nog ’n slaapmutsje, ’n Boeskoolbitter.

Wij zijn er weer bij. ‘n Voorrecht, ieder jaar weer. En wie of ’t dan ook wordt? Loat mer kuuln, ’t löp wa lös! Laar maar gaan, ’t komt wel goed!

Ach, ik hou d’r zo van!